Het onderscheid tussen de twee vormen van mimesis die – ten minste sinds Plato – aan muziek worden toegeschreven, ondergaat in het postcageaanse muziekdenken een funderende en normatieve radicalisering. Deze 'modi' van mimesis delen een pythagoreïsche grondslag volgens welke de bewegingen der tonen op getalkundig niveau gelijksoortig zijn aan zowel de bewegingen van de ziel, als die van de kosmos. Deze twee analogieen zijn meteen de kiemen van onze twee mimetische registers. Zonder de gemeenschappelijke grondslag geheel uit het oog te verliezen, wil ik de twee posities iets scherper uittekenen, om vervolgens te onderzoeken of het zinvol is een soort beeldverbod ten aanzien van muziek te formuleren, en op welke vorm van nabootsing, van overdracht dit van toepassing zou kunnen zijn.
Het monotheistisch beeldverbod schrijft voor dat men de pretentie laat varen, ergens een betrouwbare of adequate vertegenwoordiging van te kunnen maken – sterker nog, zoals het woord al aangeeft verbiedt dit tweede bijbelse gebod dergelijke praktijken. Om de achterliggende gedachte te leren kennen, helpt het om dit verbod als waarschuwing op te vatten. Volgens Kellendonk roert het oudtestamentische tweede gebod de vraag aan hoe we om dienen te gaan met het onbekende. Voor mijn doeleinden volsta ik ermee het beeldverbod hier te definieren als waarborg voor het besef van ons beperkte begrip en de noodzaak van het respecteren – en zo op beleefde afstand kunnen houden – van een of ander mysterie, een of ander raadsel. In het domein van de kunsten komt dit kort door de bocht neer op een afwijzing van elke vorm van imitatie, die veronderstelt dat men dit raadsel (laat ik het 'Waarheid' noemen) in pacht heeft en deze soepel kan overdragen op de toeschouwer.
De veronderstelling – in menig (modern) muziekfilosofisch geschrift doorklinkend – dat de aard van de getalkundige verhouding die men veronderstelde tussen muziek en de kosmos een mimetisch karakter zou hebben, berust mijns inziens op een denkfout. De muziek is in deze veeleer een parallelle manifestatie van de harmonie die ook de kosmos prijs zou geven. De getalsverhoudingen zijn voor de muziek als het projectielicht voor de cinema.
Hiermee is de urgentie van onze scheiding bevestigd: de singuliere imitatie, die wij aan een beeldverbod zullen moeten onderwerpen, is te zoeken in de 'zielsnabootsing'. Deze tweede vorm, die berust op de koppeling tussen de bewegingen van muziek aan de bewegingen van de ziel, noem ik de demagogische.
Componisten zijn er in de loop van de eeuwen – met de barokke 'affectenleer' als hoogtepunt – meesterlijk in geslaagd de vinger te krijgen achter 'wat werkt' en 'wat raakt' in de ogenblikkelijke momentane ervaring. Het is precies deze manipulatieve, verzadigende publieksbevrediging waar Plato – en ook het beeldverbod, voor zover we dat als zijn stiefvader en/of -kind mogen beschouwen – voor waarschuwt in zijn dialogen De Staat en De Wetten. In een vaak verkeerd begrepen, aan het zoeken van de 'juiste' toonaarden gewijde passage van De Staat verwerpt de filosoof een musiceren dat gericht is op het direct, instrumenteel verwekken van bepaalde emoties; de 'ideale muziek' vergelijkt hij liever met een man die kan berusten in het oordeel van degene die hij ergens van probeert te overtuigen, iets probeert te vertellen.
Wie muziek laat conformeren [confirmeren] aan de smaak van het publiek (Plato noemt dit ongeregelde 'theatrocratie') ketent haar aan in de onderhavige situatie bestaande, zo u wilt 'ondermaanse' coordinaten. Mijn stelling is dat op deze wijze geen aanraking kan plaatsvinden, wat men ook verstaat onder die mysterieuze term. De aanraking buigt niet voor regie. Tegenover het bestemde karakter van de geaffecteerde toonmededelingen wil ik een onbestemde, dat zijn stem nog krijgen moet. Het 'mede-delen' wordt dan eerder een 'delen', misschien een 'delen met'.
De logica van dit onbestemde schetst Plato in zijn korte dialoog Io. Hierin legt Socrates uit hoe de inspiratie die van componist op musicus en van musicus op luisteraar overgaat, wordt gevoed door een vage, samenhangverlenende bron – een magneet – die we kunnen construeren onder de naam 'Muze'.
Wat er gedeeld wordt is een intiem raadsel waarin de luisteraar zich alleen gemeend weet – Antoine Beuger herinnert ons aan de etymologische verwantschap tussen meinen en minnen. Dit is dat precaire raadsel, waar we even voorzichtig maar ook vol verwachting mee om moeten gaan als we met een geliefde doen. Het is een delicate mogelijkheid, die bestaat zolang de toonschepper geen beslag legt op de luisteraar, of op de tonen – en erin berust, slechts 'een huis' te maken. Ter plaatse van dit huis kan, zolang men trouw blijft aan het raadsel, een onbenoembare, onbestemde aanraking plaatsvinden.
Het muziekstuk als plaats van voorbereiding voor een aanraking. Niets dan een plaats.
Eens vroeg de Duitse componist Karlheinz Stockhausen zijn Amerikaanse collega Morton Feldman naar zijn geheim. De meester antwoordde: "I don't push the sounds around."
Dat is een aardige slagzin voor wat ik hier wilde zeggen.
Amsterdam, viii '09
Verscheen in HTV De IJsberg nr. 80 "Toonbeeld".